Herinneringen aan Godlinze
I
Inleiding en voorbeschouwing
II
De komst naar Godlinze
III Een
verscheurde leefgemeenschap
IV Die
mooie kerk en toren
V
De heerlijke schooltijd
VI Enkele
medebewoners
VII De
geliefde DAM-bussen
VIII Oorlog en
bevrijding
IX De
laatste jaren
I
Inleiding en voorbeschouwing.
Elk mens heeft
herinneringen aan zijn jeugd. Bij de een zijn dat er veel, bij de ander
weinig. Vaak zijn die herinneringen positief, een andere maal helaas
negatief. Ik verkeer in een gelukkige positie dat mijn
jeugdherinneringen heel positief zijn en het zijn er bovendien erg
veel. Veel zaken, die je je nog uit je jeugd kunt herinneren, zijn
natuurlijk geen belangrijke wereld- gebeurtenissen, maar beperken zich
tot kleine dingen en voorvallen die in je kindertijd een bepaalde
indruk op je gemaakt hebben. Omdat mijn wieg in Godlinze heeft gestaan
en ik het dorp verlaten heb op mijn 18de, spelen voor mij al die
voorvallen en gebeurtenissen zich af in die omgeving en weerspiegelen
ze zich, zoals ik ze toen heb ondergaan, d.w.z. volkomen subjectief
.Het zou best kunnen zijn dat een lezer een beschreven
gebeurtenis op een heel ander manier heeft ervaren dan ik het hier heb
verwoord Tenslotte zijn het mijn persoonlijke herinneringen
en heb ik bij de weergave daarvan niet gestreefd naar
objectiviteit. Mijn bedoeling met dit schrijven is
om geïnteresseerden kennis te laten nemen van het dorpsleven
in Godlinze van zo rond de jaren dertig, veertig en vijftig van de
vorige eeuw waarmee ik hoop daar veel lezers een plezier mee te kunnen
doen.
Klaas
Bos.
Wondelgem,
januari 2010
II De komst naar Godlinze.
Nee, echt rijk waren
ze niet mijn grootouders, maar toch was hun gezin gezegend
met zeven kinderen, waarvan de jongste mijn vader was. Ze woonden in
een klein boerenhuisje en hadden wat kippen en koeien. Het huisje stond
in een gehucht genoemd Schaaphok-Zevenhuizen, bij het kleine dorpje
Scharmer, dat grensde aan het grotere dorp Harkstede. In dat laatst
genoemde dorp groeide ook mijn moeder op als dochter van een welvarende
boerenfamilie, samen met een zestal broers en zusters. Toen
hij jong was had mijn vader een grote wens...... hij wilde graag boer
worden, maar dan wel een met twee paarden! Want dat was voor hem in die
tijd het summum. Toch is het er nooit van gekomen, omdat hij als jongste
lid van het gezin de mogelijkheid kreeg, mede op voorspraak van zijn
schoolhoofd, verder te mogen studeren. Dat voorrecht was voor geen van
de andere broers of zusters weggelegd,maar voor de Benjamin van het
gezin werd er een uitzondering gemaakt. Zijn broers waren mijn vader
zeer goed gezind en deden mee om de kosten van zijn studie te dragen.
Zijn broer Wolter schonk mijn vader ook zijn eerste fiets, waarmee hij
naar Slochteren kon rijden om de Normaal School te bezoeken voor de
opleiding als onderwijzer. Eenmaal afgestudeerd kreeg hij zijn eerste
betrekking in het dorpje Scharmer en later in Engelbert, waar hij
enkele jaren in een huisje heeft gewoond samen met mijn
grootmoeder, nadat zijn vader in 1928 was overleden. In die
tijd leerde hij mijn moeder kennen en accepteerde zo rond
1933 de betrekking als hoofd van de openbare lagere school in Godlinze.
1935
Meester en juffrouw Bos in gala. Mijn moeder kwam datzelfde
jaar in
Godlinze wonen. Natuurlijk zijn zij de hoofdpersonen in dit verhaal.
Nu was het midden
jaren dertig een zeer slechte tijd, met een enorme werkeloosheid en
zeer weinig verdiensten voor de meeste mensen. Dus een betrekking als
schoolhoofd was toen lang niet slecht, niet alleen omdat het redelijk
goed verdiende, maar het betekende eveneens een vast inkomen. Daar kwam
voor Godlinze nog bij, dat het woonhuis voor het hoofd der school aan
de Hervormde Kerk behoorde en eveneens vrij werd aangeboden ,
mits de meester zou instaan voor het orgelspel tijdens de
Zondagse kerkdienst en nog wat andere zaken zou verzorgen zoals
het gereedmaken van de attributen, zoals schalen en glazen,
voor het Heilig Avondmaal en het bijhouden van de wijzigingen op de
plaatselijke begraafplaats. Een van de eerste
dingen die er werden aangeschaft was dus een huisorgel en mijn vader
deed vanaf die tijd verwoede pogingen om zich in de kunst van het
orgelspel te bekwamen. Ik herinner me nog goed dat ik als kind vaak
zaterdag naar de dominee moest gaan om te vragen welke liederen er 's
zondags tijdens de kerkdienst zouden worden gezongen. Thuis gekomen
bekeek mijn vader de partituren, maar als er een bij was die te
moeilijk was, moest ik terug om bij de dominee een wat gemakkelijker
stuk te vragen. Ja, zo ging dat. In december 1935 werd
ik geboren, kreeg er op dezelfde datum, maar precies
één jaar later een zusje bij, Betsy en vier jaar
later op tweede kerstdag kwam nog een zusje, Janny, de zaak versterken.
Pas toen was ons gezin compleet.
III
Een verscheurde leefgemeenschap.
Het terpdorpje
Godlinze ligt er zeer idyllisch bij, zijn huisjes verspreid over de
terp, midden in het uitgestrekte boerenland. Het lijkt er vredig en
stil, echt een lust voor hert oog! Maar toch ontdekten mijn ouders dat
onder deze zo vredig lijkende aanblik veel venijn school. Daar waren
twee redenen voor, nl.:
* het enorm grote
standsverschil tussen de dorpsbevolking en de rijke boeren
* de
geloofsverschillen tussen de Ned. Hervormden en Gereformeerden.
Het waren deze twee
zaken die als het ware het dorp uiteen scheurden in een aantal, dat
elkaar vaak het leven zuur maakten en in elk geval de eenheid van de
dorpsbewoners bemoeilijkte of geheel onmogelijk maakte. Mijn vader en
moeder, die uit een streek kwamen zo'n dertig kilometer westwaarts,
waren totaal onbekend met dit soort verschillen tussen
bevolkingsgroepen in zo'n kleine gemeenschap. Dat kwam omdat in het
gebied van en rond Harkstede de genoemde tegenstellingen veel minder
sterk naar voren kwamen of in het geheel niet bestonden. De boeren in
die omgeving waren daar ook welvarend maar toch veel minder welgesteld
dan de rijke hereboeren in het Noord Oosten van de provincie. En ook de
religie speelde er niet zo'n alles overheersende rol. Dat maakte dat in
die streken de samenleving veel gemoedelijker en gezelliger was. Maar
er was niets aan te doen, mijn ouders konden niet anders dan zich zo
goed mogelijk aan te passen aan de heersende situatie, ofschoon het hen
meer dan eens wel erg moeilijk viel. Door de functie van mijn vader
kwamen ze automatisch terecht in een van de vele groepen. En
zo ging het ook met ons. We wisten niet beter en deden gewoon mee met
de plaatselijke gewoonten van de bevolking. Toen ik wat ouder werd zag
ik al betrekkelijk snel de onjuistheid van deze levens- en geloof-
overtuiging in en dat maakte dat religie voor mij veel eerder ging
betekenen dat mensen uit elkaar werden gedreven dan dat ze door toedoen
van hun geloof tot elkaar kwamen. Zo kan ik me nog goed herinneren dat
tijdens ijstijden, als er geschaatst kon worden ik graag schaatste met
ons buurmeisje, Pieke Rouwaan. Daar was niets mis mee, behalve 's
zondags, dan mocht het gereformeerde kind wel op het ijs lopen, maar er
niet op schaatsen! Toen en ook nu nog, kan ik niet zien hoe men zo'n
onzinnig voorschrift kan bedenken, laat staan begrijpen wat men er mee
heeft willen bereiken! En zo waren er in dat kleine dorpje veel van dit
soort beperkingen voor de ene groep en de daar tegenover staande
grotere vrijheden voor de andere groepering. Ook bij het onderwijs
speelde dit alles een heel belangrijke rol. In plaats dat er in zo'n
klein dorpje een grote school in stand werd gehouden, moesten er nu
twee kleine schoolgemeenschappen een plaatsje vinden, die beiden vaak
de grootste moeite hadden om het minimum aantal leerlingen aan te
trekken voor de levensvatbaarheid van dat die twee schooltjes. Ik
herinner me dat het schoolbestuur van de openbare lagere school eens
een huisschilder naar Godlinze aantrok, die 4 schoolgaande kinderen
had. Daarmee was de instandhouding van het openbare tweemans schooltje
weer voor een aantal jaren zeker gesteld! Nee, de religie liet zich in
die tijd niet van een erg positieve kant zien, althans niet in mijn
beleving. Ja, en dan het andere grote verdriet, nl. de verhouding
tussen de welvarende rijke boeren en de mensen uit het dorp.
Uiteindelijk heeft dat ertoe geleid dat het beroep van landarbeider een
wel bijzonder negatieve uitstraling kreeg, want in die tijd was
landarbeider het slechtste beroep dat je zou kunnen uitoefenen. Een
voorbeeld: als ik op school mijn best niet deed ( en dat kwam nogal
eens voor ) zei mijn vader altijd heel verwijtend: ' neem maar een
schop en ga maar naar Verdook! ' ( een grote boer in Godlinze ) Dit om
te onderlijnen dat, als je nergens voor deugde je nog altijd
boerenarbeider kon worden. En ofschoon landarbeider op zich, in mijn
ogen, echt wel een aantrekkelijk beroep is, kreeg het een in en in
trieste uitstraling. Toen er dan ook na de oorlog nieuwe
industrieën op gang kwamen in de ons omliggende stadjes, zoals
Delfzijl, Appingedam en anderen, was er dan ook geen enkele jongeman
die nog bij een boer wilde gaan werken. Daarmee verdween op slag de
machtige heerschappij van de rijke boeren, want ze kregen veel
problemen om personeel aan te trekken. Uiteindelijk betekende het dat
ze vanaf die tijd praktisch alle werkzaamheden zelf moesten verrichten
of het moesten laten uitvoeren door gespecialiseerde bedrijven (
loonwerkers). Toch hadden ze er nog een beetje geluk bij, want door de
sterk ontwikkelde mechanisatie in de landbouw van na de oorlog kregen
ze ook inderdaad de mogelijkheden om praktisch alles zelf te doen. Maar
vanaf die tijd was de goede tijd voor de hereboeren over en moest er
door hen hard aangepakt worden. Wellicht dat het bovenstaande allemaal
nogal negatief klinkt, maar ik moet bekennen dat dit destijds op deze
manier op me is ingewerkt en dat ik nu beslist niet geprobeerd heb om
dit verder op te blazen. Nu wil ik niet zeggen dat de mensen elkaar op
de straat in de haren vlogen, maar het betekende wel dat er geen of
zeer weinig met elkaar werd samengewerkt en dat ook de normaal tussen
mensen bestaande relaties daardoor niet in de hand werden gewerkt. Want
toch waren het niet de mensen op zich die dit soort toestanden deden
ontstaan, het waren veel meer hun kerkelijke leiders die hun
bepaalde gedragsregels opdrongen. Het kan best zijn dat er nog altijd
mensen zijn die het niet met mijn zienswijze eens zijn, maar ik was
indertijd erg verheugd te horen dat er nu tenminste
één gemeenschappelijke school in Godlinze is en
hoop van harte dat ook de gemeenschap nu beter en meer met elkaar
communiceert en dat de schitterende foto's van het fraaie dorpje
Godlinze vandaag een weerspiegeling vormen van een harmonieuze
samenleving. Maar dat is natuurlijk iets wat ikzelf natuurlijk niet
meer kan beoordelen.
IV Die mooie kerk en toren.
Het meest opvallende
element van het dorp Godlinze was en is nog steeds de dertig meter hoge
toren en de aangebouwde kerk die midden op de wierde zijn gebouwd. Ook
hieraan heb ik veel herinneringen.
Dat kwam ten dele
omdat mijn vader tijdens de kerkdienst het orgel bespeelde, zoals ik al
eerder heb verteld, maar uit hoofde daarvan ook in het bezit was van de
sleutels van de kerk en de toren.
Het meest opvallend in
de kerk was het grote orgel. Het was een oud orgel ( 1704 ) van de
beroemde Duitse orgelbouwer Schnitger, met nog een zeer oud klavier en
grote houten bedieningshandels die je uit kon trekken. Ook was er nog
een voet klavier. Tijdens de zondagdienst ging ik wel met mijn vader
mee en zat dan achter hem voor een groot raam waar ik een heel mooi
uitzicht had op het dorp. Daar droomde ik dan weg en dacht aan de
toekomst die toen nog zo lokkend voor me lag. Aan de andere zijde van
het orgel was een plaatsje voor de windmaker. Want dat moest nog toen
nog met de hand gebeuren. Je kon heel hard pompen en dan werd op een
schaal aangegeven met welke hoeveelheid de grote luchtbalgen gevuld
waren. Dat werd meestal gedaan door de koster, een oudere man, die wij
noemden 't oal Poortje '. Hij was altijd zeer oplettend wanneer er
tijdens de dienst muziek moest worden gespeeld en er dus voldoende
lucht beschikbaar moest zijn. Maar eenmaal, toen mijn vader zijn spel
wilde beginnen na de preek van de dominee, was er geen lucht en kwam er
dus geen muziek! Vanuit de kerk werd er al gewezen naar de plaats van
de koster en toen mijn vader er naar toe ging zag hij tot zijn
verbazing dat 't oal Poortje ' in een geruststellende slaap
was gedommeld. Een stevige duw bracht hem weer tot leven en heel erg
geschrokken en ontdaan begon hij direct hard te pompen, waarop de
dienst kon worden vervolgd. Ja, dat was de tijd dat er orgel werd
gespeeld en dat doet me denken aan het verhaal dat zich afspeelde in de
tijd dat er nog geen kerkorgels in gebruik waren, maar dat een
voorzanger de gemeente de tekst en melodie voor zong. Dat gebeurde op
een zekere zondag ook eens. Maar, wat hadden de ondeugende jongens van
dat dorp gedaan? Ze hadden de hele bril van de voorzanger ingesmeerd
met een soort smeer. De beste man kon geen letter meer lezen maar begon
ten einde raad toch maar te zingen:' Och Heere, wat is 't
toch met mien brille, hij is ja hail met vet besmeurd ', waarna de hele
kerkgemeenschap het hele verhaal nog eens uit volle borst herhaalde.
Dit alles tot grote verbijstering van de voorzanger, die daarop
voortging met ' Och Heere, Heere wat 'n verdrait, ze zingn 't wel maar
ze begriepn 't nait!' Wat natuurlijk ook prompt weer door de hele meute
werd herhaald! Maar terug naar de kerk met zijn wondermooie gewelven,
die gebouwd waren door 'Hans van der Straaten mit sine knechten 'zoals
ergens op de gewelven stond vermeld. Ja, natuurlijk stond er nog meer
maar dat herinner ik me niet meer. Als we de toren beklommen passeerden
we het dak van de kerk en gingen weleens op die gewelven lopen, een
geweldige ervaring, die hoge bergen van steen. Ja, en dan was er in de
muur aan de noordkant het dichtgemetselde Noormannenpoortje, waarvan
het verhaal gaat dat ten tijde van de overheersing door de Noormannen,
de gelovigen de kerk door de normale ingang binnengingen, maar na
afloop van de dienst, de kerk moesten verlaten door dat lage
Noormannenpoortje, waarbij er heel diep gebukt moest worden in eerbied
voor de Noorse koning! Maar de mooiste herinneringen heb ik aan de
kerkdiensten op Kerstavond. Er was altijd een mooie grote kerstboom
versierd en met veel witte kaarsjes. Zoals destijds gebruikelijk
vertelde mijn vader altijd een kerstverhaal. Het was een hele
indringende en mooie belevenis, die ik niet licht vergeet.. Ja en dan
de toren!
Omdat wij in het bezit
waren van een sleutel, hadden we natuurlijk ook toegang tot de toren.
Het was een avontuur om die te beklimmen. Het ging van verdieping naar
verdieping op houten ladders, terwijl je onderweg heel veel vleermuizen
zag hangen die daar hun slaapje deden. Het klokkenspel onderweg was
altijd heel interessant om te zien, maat het meeste genoot je van de
grote klokken zelf, die daar zo'n kleine dertig meter hoog hingen en
waar je vanuit de galmgaten kon kijken. Helemaal boven in de toren was
er nog een wat kleiner vertrek, waar ook openingen in de gevels waren
aangebracht met luiken ervoor. Als je die opendeed kon je genieten van
het prachtige uitzicht over het Groningse land. Je zag dan de dorpen en
boerenbedrijven maar ook de kronkelende wegen die van dorp tot dorp
liepen. En ja, het schiet me ineens te binnen, weten jullie hoe het
komt dat al die wegen met zoveel bochten door het Groningse land lopen?
Nou, de verklaring is heel eenvoudig. Ten tijde van de aanleg wilde
natuurlijk niemand van de boeren een stuk van zijn land afstaan voor
een nieuwe weg (juist zoals nu). Maar toch moesten er wegen komen om de
dorpen met elkaar te verbinden. Men vond voor dit moeilijke probleem de
volgende oplossing: er werd een heel, heel erg lang touw gemaakt en men
beklom met de twee uiteinden de torens van de twee dorpen die door de
nieuwe weg zou worden verbonden. Op een bepaald moment werden de twee
touwen losgelaten en waar het touw terecht kwam, kwam de weg. Zo
eenvoudig was dat, er was geen speld tussen te krijgen.
V
De heerlijke schooltijd.
In vroegere tijden was
de meester ook koster en boer en deed hij veel andere zaken naast het
onderwijzen der jeugd. Hij woonde dan ook in een boerderijtje dat
eigendom was van de kerk. Het gebouw was er nog altijd, ofschoon de
meester met zijn gezin reeds in een ander huis woonde. Dat boerderijtje
grensde aan de openbare lagere school en werd nog altijd ' het
schoolhuis ' genoemd. Toen wij er woonden werd het bewoond door de
familie Pijper. Als je de school binnenging kwam je door een klein
poortje in een smal soort straatje waarbij de rechter muur de school
was en de linker muur het schoolhuis. Er was rechts een klein trapje
van enkele treden om de school binnen te gaan. De gang van de school
bevatte natuurlijk kapstokken voor de jassen van de kinderen, maar aan
het einde van de gang stonden ook de klompenbakken, waarin de kinderen
hun klompen konden parkeren, want daar mochten ze niet mee in de klas
i.v.m. de geluidshinder. En iedereen liep toen immers op klompen. Aan
mijn schooltijd heb ik alleen maar prettige herinneringen, ondanks het
feit dat ik van mijn vader wel eens met de stok kreeg, want ik moest de
beste van de klas zijn en dat lukte blijkbaar niet altijd. Wat me
altijd is bijgebleven waren de geschiedenis lessen als mijn vader
vertelde over alle mogelijke onderwerpen. Hij kon zo mooi vertellen en
bovendien werden veel verhalen vaak geïllustreerd door de
destijds zo veel gebruikte wandplaten van Kiewiet.
Het
schooltje van
binnen, met Klaas en Betsy Bos op de houten schoolbank.
Als de les er voor die
dag opzat en er was nog een minuut of tien of een kwartiertje over
mochten we zingen! De bruin gekafte ' Jan Pierewiet'- boekjes werden
dan uit de kast gehaald en dan werd er gezongen. Niet als verplichting,
o nee, want iedereen had er plezier in en deed uit volle borst mee. Ook
de lessen lichamelijke opvoeding waren altijd heel populair. Natuurlijk
had de school geen gymnastiek lokaal en werd er alleen aan lichamelijke
opvoeding gedaan als het weer het toeliet en we of op het schoolplein
of op de grote weide van boer Perdok terecht konden. Dan werden er
spelletjes gedaan zoals kastie en dergelijke, maar ook wel voetbal. De
meester, die scheidsrechter was, speelde zelf als lid van een ploeg ook
mee! En wat altijd een heel fijn evenement was waren de sportkampen die
georganiseerd werden met andere scholen uit de gemeente. Ik herinner me
nog heel goed dat we eens naar Krewerd zijn geweest en dat daar samen
met de leerlingen van meester Langerhuizen zo'n sportkamp hebben
gehouden. Als het echt heel warm was, was er geen school! Dat kwam
helaas niet zo veel voor, maar ik herinner me nog wel dat we dan soms
naar de 'Spieksterdiek 'gingen. Meestal werden we dan op een
landbouwwagen van Perdok geladen, met een landbouw trekker ervoor. Het
was natuurlijk dolle pret, zo'n uitstapje.
Ja, dat waren de niet
officiële uitstapjes, die natuurlijk niet elk jaar werden
gehouden. Dit in tegenstelling met de 'officiële'
schoolreisjes die elk jaar plaats vonden. Ik heb al verteld dat we vrij
kort na de oorlog met een oude legertruck van het Amerikaanse leger
eens naar de dierentuin in Emmen zijn geweest. Doch meestal waren het
de DAM-bussen waar we mee werden vervoerd. Eenmaal ging de rit naar
Schiphol. Tot mijn grote verdriet kon ik die tocht niet meemaken want
ik moest thuisblijven met mazelen. Dat was een hard gelach!
Op
schoolreis 1948
Traditionele
gebruiken.
De stoetboom.
Eén van de meest belangrijke dagen van een schooljaar was 1
april als er een nieuwe lichting leerlingen hun intrede deed. Het
gebruik was destijds en misschien nu nog wel, dat op het moment dat die
nieuwe leerlingen door hun moeders aan de school werden toevertrouwd,
de meester naar de schoolzolder ging om te zien of er voor elke nieuwe
leerling ook een stoetboom was gegroeid. En ja hoor, de meester kwam
altijd terug met voor ieder kind een mooi exemplaar. Ter herinnering
aan dat feit werd er dan ook altijd een foto gemaakt.
Een nieuwe
klas, trots
met hun stoetbomen in 1941, erg groot waren de klasjes in die tijd niet
Denk nou niet dat die
arme meester een dozijn of nog meer stoetbomen van de zolder moest
halen, want meestal bleef het aantal nieuwkomers wel beperkt tot een
stuk of vier/vijf, want groter waren de verschillende schoolklasjes
meestal niet. Heel in het begin toen mijn vader pas in Godlinze was en
dus nog niet bekend was met dit gebruik, ging hij naar de zolder maar
kwam terug en had één stoetboom te kort! Het
bleek dat de ouders van een kindje geen geld hadden gehad voor een
stoetboom voor hun jonge school aspirant. Dat ging natuurlijk
regelrecht tegen het hart van mijn vader, die niet aarzelde, maar
direct bij de bakker een nieuwe stoetboom bestelde, zodat het bewuste
kind, weliswaar iets later dan de anderen, maar toch een stoetboom
kreeg. Maar het betekende eveneens dat dit ook wel het laatste jaar
werd dat er uitzonderingen werden gemaakt bij de uitreiking van
stoetbomen! En terecht, zou ik zo zeggen. De jonge meisjes die voor
het eerst naar school gingen werden door de oudere meisjes goed
opgevangen en mochten met een rondendans meedoen, waarvan ik de tekst
niet helemaal meer ken, maar het was zoiets van 'mijn lieve vriendin,
dan dansen we samen de wijde wereld in!' De vrolijke melodie ken ik nog
wel.
Neutjes riegjen.
Dat was een oud
gebruik met Pasen, waarbij de deelnemers van voren af moesten proberen
de op een rij gelegde noten van de lijn te schieten. Er waren boetes
als iemand eens de noten in het midden van de rij weg schoot. Hij moest
dan uit zijn eigen voorraad hetzelfde aantal noten extra inleggen. Het
was een leuk spel, waarbij je, als je een beetje geluk had, veel meer
noten in bezit kreeg dan toen je begon, maar datzelfde spel werd wel
wat grimmiger als de oudere mensen i.p.v. met noten de boetes moesten
betalen maar dit met geld deden en op die manier heel wat konden
verliezen. Maar toch was het geen echt kansspel.
Tiepeln
Dat was een spel wat
het hele jaar door werd gedaan en waarbij een klein stokje dat aan
beide einden schuin afliep, van de grond moest worden geslagen met een
stok en dan vervolgens zo ver mogelijk moest worden weggeslagen. Het
was een fijn spel en werd veel gespeeld.
Sint Maarten
Dat feest werd gevierd
op 11 november. Na schooltijd, als het al donker begon te worden,
zwermden de kinderen uit met elk een lantaarntje en gingen in het dorp
en bij het dorp liggende boerderijen hun Sint Maarten liedjes ten beste
geven. De genoemde lantaarns verschilden nog al wat. Er waren erbij van
papier, maar die waren erg kwetsbaar en bovendien tijdens de oorlog
niet te vervangen. Daarom werd er naar andere modellen gezocht. Een
heel mooie lantaarn kreeg je als je een suikerbiet uitholde, er met
kleine gaten in het omhulsel een versiering aanbracht en er dan een
kaars in monteerde. Ja, zo'n biet was eveneens erg kwetsbaar, maar ze
gaven een heel mooi roodachtig schijnsel. Wij maakten onze lantaarns
van een rechthoekig koekjesblik dat op zijn kant werd geplaatst en dan
aan een draadje kon worden gedragen. Met spijkergaten maakten we
afbeeldingen in het blik en klaar was de lantaarn. Onverslijtbaar en
toch mooi. Bij de mensen waarvan je verwachtte dat ze wel wat zouden
geven zong je de mooiste liedjes, maar wee degene die niets gaf, voor
hen was het volgende lied weggelegd:
Hier woont juffrouw
kikkerbil
dai ons niks meer
geven wil
geef ons 'n appel of
een peer
wie kom'n 't haile
joar nait weer!
Sinterklaas
Natuurlijk werd dit
kinderfeest ook altijd groots gevierd, zowel thuis als op school. Het
was verbazend om te zien, hoe in die schaarste van de oorlog, onze Sint
en Piet het toch altijd weer voor elkaar kregen voor ieder van ons nog
een cadeautje op de kop te tikken. Knap werk hoor!
Nieuwjaar
En dan waren er de
gebruiken op oudejaarsnacht, weliswaar hoofdzakelijk voor de wat
rijpere jeugd en jonge volwassenen. ¨Precies om, twaalf uur
begon het klokluiden tot zeven uur in de ochtend. De klokkenluiders
wisselden elkaar af en werden op de been gehouden met klokkensmeer. Het
zal wel brandewijn of zoiets zijn geweest, want hoewel het de bedoeling
was, bleef niet iedereen daarvan vast op zijn benen staan. Een andere
gewoonte was wat wij noemden ' het slepen '. Men zocht oudejaarsnacht
allerlei voorwerpen die de mensen hadden laten buitenstaan, omdat ze
waren vergeten het binnen te zetten of omdat ze dachten dat het
voorwerp te groot of te onhandig zou zijn om te worden weggehaald. Al
die voorwerpen kwamen op een grote hoop te liggen, midden in het dorp.
De eigenaars werden verondersteld dit de volgende morgen weer te komen
afhalen. Wij woonden naast de pastorie, waar aan het begin van de oprit
een in twee delen openslaand hek was geplaatst. Deze beide delen werden
prompt elk jaar 'versleept'. Soms wisten de jongelui beslag te leggen
op wel eens iets heel speciaals. Zo hadden ze eens een complete
boerenwagen meegenomen, deze gedemonteerd en op een plat dak van een
gebouw netjes weer in elkaar gezet. De volgende morgen vond de
betreffende boer zijn eigendom hoog in de lucht terug en moest hij maar
zorgen dat hij hem weer van dat dak kreeg. Op nieuwjaarsdag werd er ook
geknald. Omdat er toen geen vuurwerk was deed men het met carbid. Ook
ik had een busje waar carbid in werd gedaan, nat gemaakt, dekseltje
erop en dan op de grond gelegd en met je klomp er boven op, aan de
achterkant, waar een gaatje was, aangestoken. Met een wat doffe knal
sprong het deksel dan rinkelend enkele meters ver weg. De ouderen deden
het soms met melkbussen, maar omdat daarbij veel meer carbid werd
gebruikt was wel heel wat gevaarlijker, maar de knal was natuurlijk ook
harder. Dat waren zo de
normale gebruiken die ik me nog herinner. Misschien waren er nog wel
meer.
In 1955 was het in
Godlinze groot feest, want de Openbare School bestond toen 100 jaar en
dat werd zoals bijgaand artikel laat zien groots gevierd.
En toch
ging het in
die tijd lang niet goed met dat schooltje. We hebben het er al eerder
over gehad dat dat soort kleine soort schooltjes zoals we die in
Godlinze hadden, vaak nog juist konden bestaan met een minimum aantal
leerlingen. Ik weet niet meer wat precies het minimum was, maar als
zo'n school daar onder kwam moest de tweede leerkracht verdwijnen. Je kreeg dan een soort
Micky Mouse schooltje, met soms zeven klassen voor
één leerkracht. Dat was in de jaren
vijftig ook het vooruitzicht voor de o.l. school in Godlinze. Je zag
door de toenemende ontvolking aankomen dat er eens een dag kwam dat er
niet genoeg jonge kinderen meer aanwezig zouden zijn. Ook mijn vader
had al jaren dat scenario met de nodige zorg zien aankomen, maar
natuurlijk had hij geen enkele mogelijkheid die trend te stoppen. Wel
was het voor hem heel duidelijk dat hij er niet aan dacht om in zijn
eentje aan zes of zeven klassen tegelijk les te gaan geven. Als het
zover zou komen zou hij gaan uitzien naar een andere school beweerde
hij altijd. Nu die tijd is inderdaad gekomen en mijn vader heeft na
enkele sollicitaties een betrekking als hoofd der school geaccepteerd
in het dorp Klarenbeek, in de gemeente Apeldoorn, en daarheen zijn ze
in 1956 verhuisd. Toch hebben zowel mijn vader als moeder die periode
van langer dan twintig jaar dat ze in het dorp Godlinze hebben vertoefd
altijd wel als een goede tijd gezien en werd er later ook nog veel over
gesproken. Nu is er een ding waar we het nog niet over hebben gehad en
dat was de gereformeerde school. De reden daarvoor is, wat ik ook al
eerder heb aangegeven, dat er praktisch geen communicatie tussen deze
twee onderwijsinstellingen bestond. Ze leefden en werkten volkomen
langs elkaar heen en daarom kan ik er verder ook niets over zeggen. Dat
gebeurde echter zeker niet uit persoonlijke overwegingen van mijn vader
of zijn collega, het hoofd van de Gereformeerde school, meester Van
Vliet, maar dat was nu eenmaal de harde realiteit in dat mooie dorpje
Godlinze.
VI
Enkele medebewoners.
Nee, geloof nu niet
dat ik hier in alfabetische volgorde alle Godlinzenaars ga beschrijven
die er in mijn tijd woonden. Mijn bedoeling is dat ik in dit gedeelte
enkele personen noem die zich onderscheiden van de meeste mensen uit
het dorp, in een zowel positieve als negatieve zin. Als eerste wil ik
beginnen met de boeren. Omdat ze rijk en machtig waren hebben ze een
stempel gedrukt op de samenleving van het dorp Godlinze. Veel
activiteiten die er toen plaats vonden werden niet alleen door de
dorpelingen gedragen, maar financieel en vaak ook met daadkracht, door
de boeren, dat mag ook wel eens gezegd worden. De belangrijkste twee
families van Godlinze waren de Perdok's en de Dallinga's. U.D.Perdok's
grote boerderij stond aan de rand van de terp, vlak bij onze school.
Maar dat was niet het enige, want Perdok was ook actief in het dorps-
en kerkleven. Ik herinner dat mijn vader veel contact met hem had over
allerlei zaken die er toen speelden en voor zover ik dat nu kan
herinneren ze kwamen er altijd wel uit. Er zijn over Perdok veel
verhalen in omloop, maar een wil ik er even uithalen. Een aantal jaren
na de oorlog begon de massa-motorisatie op gang te komen en dat merkte
je natuurlijk ook in Godlinze, waar veel mensen zich een 'ploffiets'
gingen aanschaffen. Zo'n ploffiets was voor de boeren echter geen
optie, die moesten wel aan een auto! Dat was ook het geval met Perdok
die op zoek ging naar een echte automobiel. Nu zou je verwachten dat
een man als Perdok zich een nieuwe wagen ging bestellen bij de een of
andere auto dealer in een van de stadjes rond Godlinze, maar dan heb je
het mis. Perdok ging kijken naar een betrouwbare gebruikte auto en vond
ergens in Uithuizen bij een garage een geschikt exemplaar. En ja hoor
de koop werd beklonken. Ondertussen had Perdok nog wat in die garage
rondgescharreld en had tot zijn verbazing een nog veel groter en mooier
exemplaar gevonden. Toen hij zo langs zijn neus weg zei dat dat wel een
erg duur exemplaar zou zijn vertelde de garagehouder hem dat dat hem
nog wel mee zou kunnen vallen. En ja hoor ze kwamen tot elkaar en
Perdok ging trots met die prachtige auto naar huis. En het was echt een
hele mooie luxe slee, daar was niets op aan te merken. Natuurlijk niet,
want het was het meest dure en het meest prestigieuze model dat Henri
Ford in Amerika ooit had gebouwd, nl. de Lincoln Zephyr V12.
Een
'vorstelijke'
auto...... en dat in Godlinze!
Perdok was er mee in
zijn nopjes, maar dat ging reeds tamelijk snel over, want hij ervoer
dat voor een ritje naar Appingedam, heen en weer een afstand van een
twintig kilometer, die Lincoln de niet onaardige hoeveelheid van een
vier à vijf liter brandstof nodig had. Dat was toch wel een
beetje te gek en Perdok ging terug naar de garagehouder, want hij dacht
dat er ergens iets mis was met de afstelling of zoiets. Maar nee hoor
alles was perfect in orde verzekerde de garagehouder hem, maar het ding
had een enorme 12 cilinder motor, met 24 zijkleppen, die je inderdaad
niet hoorde of voelde lopen, wat Perdok erg had aangetrokken toen hij
hem kocht, maar hij had wel altijd een enorme dorst. Daar was niets aan
te doen en heeft toch wel het plezier dat Perdok in die auto had voor
een groot gedeelte verknald. Jammer, want het was echt een
'koninklijke' auto die indertijd in Godlinze rond reed. De
andere Perdok, woonde een kilometer of drie buiten het dorp bij de Oude
Dijk. Het was een prachtige boerderij en ook hij had evenals Udo Perdok
enkele kinderen bij mijn vader op school. De Dallinga's waren ook grote
boeren en woonden aan de andere kant van het dorp, de een, Michiel vlak
bij het haventje van 't Maar ' en de andere, Simon, ook aan het Maar in
een boerderij genoemd 'het Maarhuis' een kilometer of vier buiten het
dorp. Ook zij bezaten grote bedrijven, waarbij Dallinga bij het dorp
zelfs zijn eigen zware trekker had op rupsbanden om het land te
bewerken. Het was een geweldig ding en ik heb er vaak opgezeten, helaas
nooit op gereden. Simon Dallinga had een arbeider genoemd Poort. Een
zoon van Poort, Heiko was mijn vriendje en ik ben vaak met hem naar
zijn huis geweest. Het was een eind lopen over een zwart grintpad, maar
het was er altijd leuk. Die boeren waren voor de oorlog een soort '
managers ' op hun bedrijf. Ze hadden een zes of zevental arbeiders in
dienst en bezaten een 10 tal of meer paarden. s' Ochtends vroeg ging
zo'n boer naar de deel, waar de arbeiders bijeenkwamen en dan werd het
werk verdeeld. Daarop werden de paarden ingespannen en vertrokken de
arbeiders naar het land. De boer ging naar het voor-end om zijn ontbijt
te nuttigen en zijn krantje, met o.a. de beursberichten, te lezen. Om
een uurtje of tien pakte hij zijn fiets en ging zijn arbeiders langs om
te zien of het allemaal goed liep.
Toen mijn vader pas in
Godlinze was werd hij eens door een boer uitgenodigd om het bedrijf te
bekijken. Ze vertrokken naar het land waar een van de arbeiders met een
stel paarden aan het ploegen was. Toen ze in de buurt van de boer en
mijn vader kwam zei de boer ' Ho ' en het paard stopte en de arbeider
vanzelfsprekend ook. De boer legde enkele dingen aan mijn vader uit en
gaf toen het bevel ' Vot ', waarna het paard zich weer in beweging
zette en de arbeider vanzelfsprekend ook. Tijdens die hele periode werd
er geen enkel woord tegen die arbeider gezegd....... het was net een
machine. Mijn vader die zoiets niet gewend was, vond het maar
schandalig en mensonterend. Op een andere keer was er iets te doen in
café Kooi. Het was 's avonds in de winter en het was koud.
Midden in het café stond de kachel te loeien, met hekjes er
rond waarop de voeten goed gewarmd konden worden. Dat laatste was een
privilege voor de boeren, de andere dorpsgenoten zaten verder van de
kachel in de zaal. Toen kwam ook de oude koster binnen,' t oal
Poortje'. Mijn vader, toen nog niet op de hoogte van de plaatselijke
gebruiken, nodigde hem uit om lekker warm, vlak bij de kachel plaats te
nemen! En daar zat 't oal Poortje ' tussen de rijke boeren.........niet
helemaal op zijn gemak maar wel warm. Maar het was wel de eerste en ook
de laatste keer dat zoiets gebeurde. Och er valt nog zo veel te
vertellen over de boeren van destijds, maar ik hou er maar mee op om me
te gaan wijden aan enkele markante dorpsbewoners. We komen dan al gauw
bij de middenstanders: de bakkers, de kruideniers, de slager, de
schoenmaker en fietsenmakers, de smid, de schilder, de
postkantoorhouder en de kleermakers ze woonden er allemaal en hadden
een functie in die 'self supporting' leefgemeenschap dat Godlinze toen
was. Laten we beginnen met onze overburen Brouwer, smid en
fietsenmaker. Hij had een aantal dochters, Bonny, Elly en Trijn, die je
als ze met de afwas bezig waren, vaak samen kon horen zingen.......en
dat konden ze! Brouwer zelf was een man die niet veel zei. Als je je
fiets kwam brengen om gerepareerd te worden en je vroeg hem wanneer het
klaar kon zijn zei hij steevast ' wie zel'n wel es zain!... en
duidelijker kon hij zich niet uitdrukken. Op een avond was er een of
andere toneel voorstelling in Appingedam, met een in Nederland bekende
theater groep. De Brouwers gingen ook mee. De kwestie of hij ze ( die
toneelspelers) wel zou kunnen verstaan was geen probleem. ' As ze moar
'n beetje speulj’n ' was zijn repliek. Aan het kleine
weggetje dat bij de Brouwers langs naar beneden liep woonde Ainje Topse
had een klein winkeltje en ik mocht er wel eens heen om stroop te
kopen. In de hoek van de winkel stond een groot vat stroop en dan vulde
ze de pot die ik bij me had met een grote houten lepel. Verder was
alles er te koop. Aan de Peperstraat woonde een rentenier, genaamd '
oal Star '. Wat hij vroeger gedaan weet ik niet, maar wel dat hij een
heel mooi schaalmodel had van een oud zeilschip, waar vroeger de
zeeën mee waren bevaren. Het was een wondermooi gemaakt schip
en ik ging er zo nu en dan naar toe om het kunstwerk te bekijken en was
er altijd welkom.
'Snieder' Dijkhuizen
leverde moderne maatpakken en met de kwaliteit zal het
ook wel goed
gezeten hebben, maar of ze het zolang uit hebben gehouden
als hun
klerenhangers valt nog te bezien.
Een eindje verderop in
de Hoofdstraat woonde de man die het mooiste beroep had van Godlinze in
mijn ogen, Hij heette Harm Jan Mos en was de plaatselijke eigenaar van
een Fargo truck. Na de oorlog werd de Fargo ingeruild en kwam er een
Canadese leger Dodge voor in de plaats. Hij deed alle voorkomende
soorten transporten en werd altijd door mij met bijzonder veel respect
bekeken want hij was niet alleen een van de twee autobezitters in
Godlinze, hij mocht er ook nog de hele dag mee rijden! Iemand anders
die ook een soort van transport verrichtte was Wildeboer, die als bode
met paard en wagen naar Appingedam reed. Hij had zoals dat toen
gebruikelijk was een klein eenpersoons hutje op zijn wagen waar hij
tegen de meeste regen beschermd was. Een andere bezitter, van zelfs
twee auto’s, was de plaatselijke timmerman- annex
schrijnwerker van Kalker die een mooie zwarte Chevrolet had die
gebruikt werd als taxi, maar die je ook kon huren. Verder had hij een
wat kleinere wagen een grijze Willy's. Mijn vader had een jaarcontract
met hem voor een bepaald aantal kilometers de Chevrolet te gebruiken.
Soms gingen vader en moeder samen een dagje naar Harkstede. Bij een van
die gelegenheden mochten wij een eindje meerijden richting Loppersum.
Bij de boerderij van Burema kwamen we in de problemen want er liep een
groot aantal koeien op straat, die naar een ander weiland werden
verplaatst. Mijn vader zag kans om de meeste voorbij te steken, maar er
was een koe bij die precies voor de lange motorkap van de Chevrolet
bleef lopen en die niet opzij wilde. Ik zie het nog zo voor me, die
grote dikke koeienkont voor die auto!
De
Chevrolet die mijn
vader weleens huurde, een erg mooie wagen!
Van Kalker had mijn
vader ook auto leren rijden en daarna wilde hij ook graag een officieel
rijbewijs hebben. Op een dag reed hij dus met de Chevrolet naar het
gemeentehuis in Bierum om te informeren hoe hij zo'n bewijs in zijn
bezit kon krijgen. De dienstdoende ambtenaar vroeg hem verschillende
zaken, maar toen hij hoorde dat mijn vader zelf alleen met de Chevrolet
van Godlinze naar Bierum was gereden was de zaak zo beklonken en ging
hij met het rijbewijs op zak even later naar huis! De
postkantoorhouder, van Dijk, was een ander belangrijk persoon in het
dorp. Hij bezorgde niet alleen de post maar bediende ook de
telefooncentrale. Ik denk dat er toen nog maar heel weinig mensen een
telefoon hadden, want ook mijn vader ging daar wel eens bellen. En nu
nog even over de molenaar Sikkema. Ja, want natuurlijk had Godlinze een
korenmolen. Wij gingen er vaak naar toe om te kijken, maar kwamen
meestal niet verder dan de plaats waar de zakken met meel werden
gevuld, wat op zichzelf al een mooi gezicht was. Een heel enkele keer
mochten we met de molenaar mee en zagen de grote molenstenen de
graankorreltjes verpulveren, onder het oorverdovend gerammel en gekraak
van het houten aandrijfsysteem. Maar het mooiste was als we mee mochten
op de krans van de molen en de grote met zijl bespannen molenwieken aan
ons voorbij hoorden zoeven. Je voelde die enorme kracht als het ware
die de wieken ontwikkelden. Ik denk dat vrij kort na de oorlog de molen
werd afgebroken. Ja, dat was ik haast vergeten, maar Godlinze had toen
ook een woonboot, waar Reintje Gast op woonde. Zo'n woonboot was voor
mij altijd iets magisch, doch kennelijk niet voor zus Betsy die er
samen met een vriendin wel eens op bezoek ging. Het was niet zo'n beste
boot meer want op een bepaald moment verdween hij gedeeltelijk in het
water en verhuisde de bewoner naar een deel van het oude schoolhuis. In
dat andere deel woonde de familie Pijper, waarvan een van de
zoons soms accordeon speelde, waar ik helemaal weg van was, prachtig.
Een andere zoon van het gezin, Job, was van een heel ander kaliber,
waar je wel rekening mee moest houden want hij leefde in een wel heel
bijzondere wereld en voelde zich de burgemeester van het dorp. Zo
verkondigde hij eens aan mijn moeder, toen hij op weg naar huis voorbij
onze tuin liep, dat hij ze best dood kon schieten. Toen mijn moeder dat
beaamde, maar direct daarop zei dat ze niet geloofde dat hij dat ooit
zou doen, stemde hij daar volmondig mee in en zette vrolijk zijn weg
voort. Fietsen kon hij als geen ander, ja zelfs omgekeerd op de fiets
zittend, peddelde hij het hele dorp door.
Dat kon
lang niet
iedereen Job Pijper na doen!
Ik heb natuurlijk
geprobeerd hem daarin te evenaren, maar zo goed als Job het kon, heb ik
het nooit kunnen brengen. Eens, hij werkte wel bij de dorsmachine, toen
er een klus bij een van de boeren geklaard was werd er drank
geschonken. Kennelijk had Job veel te veel gedronken, want hij werd
althans laveloos thuis gebracht. Een jonger zusje van hem wilde het
hele verhaal aan de meester vertellen maar omdat ze vreselijk haar best
deed om goed Nederlands te spreken zei ze niet ' Job is doen
meester’, maar maakte er in haar beste Nederlands van ' Job
is duin meester '. En zo werd er weer een nieuwe betekenis toegevoegd
aan een bestaand Nederlands woord. Schuin tegenover ons woonde
schoenmaker Noordhof. Als je in zijn zaak binnenkwam rook het er altijd
zo lekker naar leer. Ook hij had een zwak begaafde zoon, maar wel
iemand die minder agressief was dan Job Pijper. Jan hield heel veel van
dieren en wij moesten het niet in ons hoofd halen om de eenden in de
kerkgracht te plagen of op te jagen, want dan werd hij razend en kon je
maar beter bij hem uit de buurt blijven. Een andere bijzonderheid van
hem was dat hij precies wist hoe laat de DAM-bussen naar Groningen
Godlinze aandeden. Hij rende meestal tegen die tijd op een drafje naar
café Kooi waar de bus stopte. Aan de weg naar de Oude Dijk
woonde de familie Knol. Ritse, een van de zonen was een
vriendje van me. Op een dag was vader Knol bezig een nieuw kippenhok te
bouwen. Waarschijnlijk lukte het niet al te best in zijn ogen want
zelfs de kippen begonnen al te roepen tok, tok tok wat 'n hok.... tok,
tok wat 'n hok! Op een bepaald moment werd het Knol allemaal te machtig
en hij sloeg razend het hele gevaarte weer in elkaar. Ja, dat zijn
zomaar wat herinneringen aan de bewoners van Godlinze. Natuurlijk
noemde ik niet Bruno Santanera die later zo bekend is geworden, want
die zal toen nog wel in Italië hebben rond gehuppeld. Maar een
man, die ik ook niet heb gekend, maar waarvan wel een boekje in mijn
bezit is, was de eeuwige student Ekke Fransema. Dat was echter lang
voor mijn tijd. Fransema hield nog al van een borrel, want als hij met
zijn rijtuig naar ' Stad ' ging is het meerdere malen gebeurd dat de
reis in Zeerijp of Loppersum eindigde, want hij moest daar een aantal
kroegen passeren en dat bracht vaak een enorme verandering in zijn
reisplan. Toch hebben toen der tijd de Godlinzers heel wat met hem
beleefd, want hij richtte altijd drinkgelagen aan en dan gebeurden er
allerlei gekke zaken. Zo had hij tijdens zo'n sessie eens alle petten
van zijn ' medebroeders ' gekocht voor een gulden. Iedereen kwam die
avond zonder pet thuis en dat was niet al te best, want die zuinige
Godlinzer vrouwtjes waren het daar helemaal niet mee eens! De volgende
avond echter werden de petten ter gelegenheid van een publieke verkoop
weer aan de hoogstbiedende verkocht, natuurlijk in
café Kooi, wat natuurlijk een uitstekende gelegenheid was om
er maar weer eens een glaasje op te drinken!
De heer Fransema was
echter niet slechts een eeuwige student, maar ook een groot
boekenliefhebber die een grote verzameling zeer bijzondere boeken
bezat, die allen na zijn dood door de openbare bibliotheek in
Appingedam werden overgenomen en de naam kregen 'de Fransema
collectie'. Als het goed is zouden ze er nu nog moeten zijn. Als je het
Gloepke naar beneden liep was er aan het einde, rechts een
boerderijtje. Ik weet de echte naam niet meer van de man die er in
woonde, want we noemden hem allemaal Janske Pakdroad. Dit kwam omdat
hij altijd alle klusjes met behulp van draad van stropakken (balen) op
loste.
En dan nog even over
onze twee wat oudere buurjongens, Albert en Janske Rowaan. Janske heeft
eens een heel mooie trekker-oplegger combinatie voor mij getekend en
werkte later als chauffeur op een vrachtwagen van Lommerts uit
Delfzijl. Albert gaf zich, kort na de oorlog, op om als vrijwilliger
naar Indië te worden uitgezonden.
Mijn
buurjongen Albert
Rowaan stuurde deze kaart uit Schotland, zonder postzegel want hij was
' on active service '
Hij kreeg zijn basis
militaire opleiding in Schotland. Ik heb nog altijd het kaartje dat hij
me toen stuurde ondertekend met pte A. Rowaan, Royal
Netherland Army, II Comp, I st Platoon, Mary Hill Barracks Glasgow. Na
zijn militaire dienst kwam hij weer in onze buurt terecht maar dat was
in Arnhem, toen wij inmiddels in Klarenbeek woonden. Nu, dat was zo een
introductie van een aantal dorpsgenoten. Natuurlijk zijn er nog veel
meer, maar dat wordt allemaal te veel om te beschrijven en de lezer
heeft toch zo ook al een indruk van de mensen uit die tijd.
VII
De geliefde DAM bussen
Het is zelfs nu nog
geen honderd jaar geleden dat de inwoners van platteland dorpjes zoals
Godlinze nog zeer geïsoleerd leefden. Natuurlijk waren er wel
mensen die ambtshalve met bewoners van andere dorpen en steden in
aanraking kwamen, maar de gewone man (en vrouw) die zijn werk in en
rond het dorp had kwam in de regel niet buiten het dorp. Als ze al eens
een 'verre reis ' wilden gaan maken waren ze immers aangewezen om dat
lopend te doen, of door middel van een wagen of rijtuig dat door
paarden werd getrokken. En daar kwam door gebrek aan tijd en geld
meestal niets van. Maar zo omstreeks het midden van de jaren twintig
begonnen enthousiaste ondernemers met, wat men toen noemde 'wilde'
buslijnen te exploiteren. Dat waren geregelde of ongeregelde diensten
door een of meerdere bedrijven uitgeoefend. De komst van een door een
benzinemotor aangedreven busje, meestal gebaseerd op het chassis van
een T-Ford, hief daarmee het isolement van de dorpsbewoners op. In die
eerste tijd waren er geen voorschriften voor het vervoeren van
passagiers, iedere ondernemer deed het op zijn eigen manier en voor
eigen rekening. Meestal was de concurrentie dan ook groot en men
probeerde ook elkaars klanten af te pikken. De onderneming die Godlinze
aandeed, de firma Scheper en Mulder uit Holwierde, begon in 1924 reeds
met een lijndienst Holwierde-Bierum-Spijk-Godlinze en verder via 't
Zandt-Loppersum naar Groningen v.v. Ze hadden een zeer soepel systeem
om passagiers op te pikken. Wij hadden thuis nog een klein rood
driehoekig vlaggetje dat indertijd werd bevestigden aan de houten
lantaarnpaal voor ons huis als we met de bus mee wilden. De chauffeurs
stopten dan prompt en wachten rustig tot hun passagiers het huis
verlieten. Dat was nog eens een service, niet? Het gebruik heeft echter
niet zo lang geduurd, want later was er in Godlinze maar
één op- of afstap plaats, bij café
Kooi. Ikzelf heb die tijd van het vlaggetje niet meer meegemaakt, maar
het lag nog altijd in een van onze keukenkastjes. Het tijdperk van die
eerder genoemde 'wilde' buslijnen is aan Godlinze voorbij gegaan, want
er kwam direct een goed geregeld openbaar vervoer tot stand. De firma
Scheper en Mulder hebben het autobus vervoer verzorgd tot het jaar
1940, toen ze werden overgenomen door de DAM.
De
dienstregeling van
de Holwierder bus maatschappij uit oktober 1938,
de reis van Godlinze
naar Groningen duurde zo'n 45 minuten.
De DAM ( Damster
Automobiel Maatschappij ) heeft sindsdien gefungeerd als de onderneming
waar de dorpsbewoners mee reisden. Ook in onze tijd, toen de massa
motorisatie nog niet had plaats gevonden was dit de enige manier om je
te verplaatsen. De chauffeurs waren vaak bekende figuren, zoals bv. de
twee broers Haan. Eén ervan ' lutje Hoan ' was een beetje
een grapjas en had enorm veel plezier als hij op een van de bruggen (
de korte tils ) de meestal jonge passagiers, die op de achterste rij in
de bus zaten, met een geweldige zwiep in de lucht kon krijgen, door
zeer snel over zo'n til te rijden. Het achtereind van de bus had door
zijn gewicht de weg dan al weer gevonden, maar zijn jeugdige, meestal
vrouwelijke passagiers, zweefden dan nog in de lucht. Niet dat dat
onverwachts kwam, want de meisjes kenden zijn kuren al lang! En zo was de DAM bus
in onze tijd een graag gezien vervoermiddel, waar men op kon
vertrouwen, niet alleen voor het personenvervoer, maar ook de kranten
en soms pakketjes werden er mee aan Godlinze
geleverd.
Heel in het begin was
de DAM bushalte in Groningen juist tegenover de Weeva aan het Gedempte
Zuiderdiep. Later, in 1939,
werd hun standplaats het Damsterdiep. op
deze foto te zien rond 1948. Helemaal rechts nog een Dodge legertruck
met
een opbouw als buscarrosserie, daarnaast zo'n mooie nieuwe
Amerikaanse White bus, eveneens met een carrosserie
van Medema,
Appingedam
Hoe het vervoer is
geweest tijdens de oorlog kan ik me niet meer herinneren, doch ook de
DAM zal ongetwijfeld problemen hebben gehad om aan brandstof,
onderdelen en banden te geraken, dit voor zover hun bussen zelf niet
door de bezetter werden gevorderd. De meeste buslijnen zijn direct na
de oorlog weer opgestart, met oud materieel en vaak dump wagens van het
Amerikaanse leger. Maar toch kwamen er na de leger Dodge's in 1948 bij
de DAM al snel prachtige mooie nieuwe bussen van het Amerikaanse merk
White. Het waren nog bussen met een mooie lange neus, aangedreven door
benzine motoren. Toen die werden vervangen kwamen er DAF bussen te
lopen.
VIII Oorlog en bevrijding.
Toen de oorlog uitbrak
was ik vijf. Ik heb er dan ook totaal geen herinneringen aan. Het
Groningse land had voor de binnenvallende Duitsers geen enkele
militaire betekenis en ik kan me niet herinneren toen een Duitser te
hebben gezien. En eigenlijk bleef dat zo gedurende een groot deel van
de oorlog. Maar toch was het wel te merken dat er oorlog was. En niet
alleen aan het schaarser worden van bepaalde producten maar vooral ook
door het optreden van de leden van het nieuwe regiem, de NSB, die het
nu voor het zeggen kregen. De postbode van een naburig dorpje, Klaas
Brontsema werd de nieuwe burgemeester van de gemeente Bierum, waaronder
Godlinze viel. Hij had een speciale manier van besturen.........voor
mensen die hij goedgezind was, viel er wel mee te leven, doch mensen
waar hij een hekel aan had kregen het heel wat moeilijker. En
natuurlijk was er het 'voetvolk' van de NSB, waar de normale bewoners
mee te maken kregen. In de eerste jaren van de oorlog viel alles nog
best mee, maar toen het er voor de Duitsers en dus ook voor de
NSB’ers slechter ging uitzien werden ook hun acties harder en
gevaarlijker. Op een avond werden we getipt dat de NSB de volgende
avond een huiszoeking bij ons zou houden, omdat ze wisten dat wij thuis
nog wat antraciet hadden. Dat was ook zo want er lag een geruststellend
voorraadje ergens boven in een soort kruipruimte. Nu hadden we in de
tuin een mestbak, die heel solide uit beton was gemaakt en werd
afgesloten met houten luiken. Met zijn allen de volgende morgen direct
aan de slag om die mest op te ruimen, de bak goed schoon te maken en de
antraciet van de zolder te halen en daar te verstoppen. En ja hoor 's
avond werd er prompt gebeld en kwamen twee bekende NSB’ers
ons huis doorzoeken. Natuurlijk vonden ze een kleine hoeveelheid
antraciet in de schuur, maar ze begrepen er niets van want ze hadden
gedacht veel meer te vinden. Diezelfde ervaring had onze Spar
kruidenier Kremer. Maar daar vonden ze wel iets. Dat iets kwam op een
hoop naast zijn huis te liggen. Het waren natuurlijk vooral
voedingswaren die hij had verstopt. Er lagen zelfs stukken chocolade
bij. Wij, die in geen jaren chocolade hadden geproefd, vonden het
allemaal prachtig en hebben erg van die, weliswaar wat uitgeslagen,
chocolade gesmuld. En toch als je in een Duits bezet gebied moest
leven, kon je eigenlijk niet beter af zijn dan in Noord Groningen. Er
werden aardappels en graan verbouwd en er bleef altijd wel wat over
voor de gewone man......die ook vaak zelf nog een stukje land had waar
hij groenten en aardappels verbouwde. Wijzelf hadden een stuk grond
gehuurd of wellicht gekregen voor eigen gebruik van boer Perdok, waar
we onze eigen aardappelen op verbouwden, rooiden en opsloegen in de
kelder. Ook kweekte mijn vader zijn eigen tabaksplanten. Als ze
volgroeid waren werden de lange bladen aaneengeregen en kregen ze een
plaatsje op de zolder van de school waar ze verder konden drogen.
Hetzelfde deden wij met onze appels, doch die werden voor het
droogproces naar de steenfabriek van Holwierde gebracht om daar te
worden gedroogd. Exotische vruchten waren er niet, maar honger hebben
we nooit gekend. Dat wist men in de overige delen van Nederland ook,
want er kwamen verschillende evacués naar Groningen, eerst
uit Zeeland en later ook uit Venlo. Zo kwam een vriendje van mij uit
Oude Tonge van Goeree Overflakkee en kwamen er aan het eind van de
oorlog twee meisjes bij ons wonen, Mia en Sientje uit Venlo. En zo
kwamen wij als kind redelijk goed de oorlog door. Natuurlijk was het
voor onze ouders en de oudere jeugd wel allemaal wat moeilijker, omdat
die zich moesten melden voor het werken bij de organisatie TOD en
dergelijke zaken.
De slavenmarkt in
Godlinze met ' Kloas ' Brontsema , de NSB-burgemeester boven op de
auto. (Uit Bierum in de branding)
Zo is er eens in
Godlinze bij het haventje een bijeenkomst geweest waar alle jongens en
mannen van 16 tot 50 jaar zich moesten melden. Burgemeester Kloas, als
een veldheer bovenop de auto, stond de mensen te woord die meenden een
vrijstelling te kunnen krijgen om niet te hoeven gaan werken of te
worden uitgezonden naar Duitsland. Ook mijn vader moest met zijn
collega's zich komen melden, maar ze mochten thuis blijven, want
volgens de burgemeester ' mout'n kienders natuurlijk noar schaul ''.
Over de belevenissen in de gemeente Bierum is na de oorlog een boek
uitgegeven genoemd ' Bierum in de branding ' waar verschillende zaken
door diverse auteurs zijn belicht. o.a. ook dat gedeelte over de
'Godlinzer slavenmarkt ' . Het boek heeft nog altijd een plaatsje in
mijn boekenkast. Ook later werden er nog jongens en mannen aangewezen
om ten zuiden van Groningen bij de Organisatie Tod tankgrachten aan te
gaan leggen, die bij een eventuele aanval de geallieerden moesten tegen
houden. Ze moesten zich in Haren op een bepaalde dag melden en mochten
bij hun dorpsgenoten een fiets vorderen om zich te kunnen verplaatsen.
Een oud leerling van mijn vader, die wist dat hij nog zijn mooie
Gazelle had met goede luchtbanden, kwam bij de meester zijn fiets
'vorderen'. Aan die fiets was mijn vader erg gehecht en het zinde hem
voor geen cent dat hij die moest afgeven, dus hij weigerde dat prompt.
Direct daarna vertrok hij echter naar het dorpje Bierum en vroeg de NSB
burgemeester te spreken, die hij wel kende. Op welke wijze hij het voor
elkaar kreeg weet ik niet, maar kennelijk was burgemeester Kloas hem
goed gezind want hij kreeg in elk geval een bewijs dat hij zijn fiets
zelf nodig had en dat die fiets niet gevorderd kon worden. Ondertussen
kwam er toch wel gebrek aan brandstof. Dat gold ook voor de school. In
overleg met de boeren werd beslist dat er in één
lokaal gestookt zou blijven zodat het onderwijs toch voortgang kon
vinden. De gebruikte grondstof voor de verwarming was stro.
Eén klaslokaal werd volledig leeg gemaakt en er kwam een
enorm grote voorraad stro pakken ( strobalen ) te liggen. Er werd
iemand aangewezen als stoker, die achter een soort gordijn de kachel
voortdurend met stro aan de brand hield, zodat de klas toch enigszins
werd verwarmd. Erg lang heeft dat echter niet geduurd want de school
moest worden ontruimd. Er kwamen Duitse soldaten, die hun inkwartiering
in onze school kregen. Ik schrijf Duitse soldaten, maar eigenlijk waren
het geen soldaten maar waren het nog jongens van een jaar of zestien,
de zgn. Hitlerjugend. Die hebben een tijdje in ons schoolgebouw
gelogeerd, terwijl het onderwijs ondertussen doorgang vond in de
sacristie van de Hervormde Kerk.
De bevrijding
Ondertussen kwamen de
Canadezen dichter en dichter bij en werd de stad Groningen half april
bevrijd. De Hitlerjugend uit onze school vertrok op een bepaald moment
met hun zware pantzerfausten op de schouders, al zingend richting stad
Groningen. Deze ongetrainde jongens, met geen enkele gevechtservaring
zullen waarschijnlijk niet veel hebben kunnen bereiken bij het
tegenhouden van de Canadezen. Ondertussen verzamelden zich steeds meer
Duitse militairen rond Delfzijl, dus ook in onze dorpen. Kort daarop
kwam het gerucht 'de Canadezen komen!' Iedereen de straat op en ja hoor
uit de richting Loppersum reden een vijftal verkenningsvoertuigen het
dorp binnen. Het werd geen blijde intocht, want een van de
Godlinzenaren die op zo'n voertuig wilde springen werd er met behulp
van een geweerkolf snel weer afgeknuppeld. Want die Canadezen wisten
wel wat hun te wachten stond! En dat bleek want toen ze de terp hadden
verlaten en de weg gingen vervolgden in de richting van Losdorp werd
direct daarop de Godlinzertil ( brug) opgeblazen zodat ze niet verder
konden. Dat was ook niet nodig met hun lichte verkenningswagens, want
ze wisten inmiddels genoeg en werden daadwerkelijk door de Duitsers
onder vuur genomen, waarbij zelfs een soldaat gewond raakte. Met een
rot gang kwamen ze de terp weer op scheuren en verdwenen met grote
haast richting Loppersum. Juist toen ze ons dorp passeerden hoorden wij
achter ons een zware granaatinslag bij de kerk en de toren. Ook wij als
een haas in de (schuil)kelders. En daarmee was het eerste optreden van
onze bevrijders voorbij. Het tweede optreden speelde zich enkele uren
later af toen de troepen met pantserauto's en tanks via de Godlinzer
Oude Dijk hun weg zochten naar Spijk. Canadese infanteristen kwamen nu
via de boerderij van 'achterste' Perdok naar ons dorp. Later kwamen ook
de vrachtwagens met alle mogelijke bevoorradingspullen en werd het dorp
ingericht voor hun laatste aanval op het uiterste puntje van Holland,
de vesting Delfzijl. De Canadese regimenten, de Cape Breton Highlanders
en het Perth Regiment, beide onderdelen van de 11de Canadese Infanterie
Brigade, zouden er nog een hele kluif aan krijgen. Hun bevelhebber, die
van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten een kaart kreeg met alle
posities van de Duitsers nauwkeurig aangegeven, was er erg mee in zijn
schik, maar noemde het juist ' of ze door een deel Atlantic Wall
moesten breken'. En dat bleek later ook te kloppen, want de Duitse
verdediging was bijzonder fel, met name in het dorp Holwierde, het
bunker- en kanonnencomplex bij Nansum en de verdere omgeving van
Delfzijl. Het heeft dan ook tot een dag of twee voor de
officiële overgave geduurd dat Noord Groningen van Duitsers
volledig was gezuiverd.
Canadese
artillerie
stellingen lagen rond Godlinze toen hun aanval op Nansum en Delfzijl
begon.
Het waren geen kleine schietgeweertjes waar ze mee schoten, maar
knapen met een kaliber
van wel 94mm ( 3.7 ''). Je kon er maar
beter uit de buurt blijven.
In die tijd werd in
Godlinze het Canadese Hoofdkwartier gevestigd en fungeerde het
Gereformeerde kerkgebouwtje als noodhospitaal. Die hele bevrijding
heeft op mij een onuitwisbare indruk gemaakt en ik zie die Canadese
legertrucks met die typisch voorover hellende voorruit nog zo voor me.
Dat zijn altijd, tot zelfs vandaag mijn 'lieveling' trucks gebleven.
Naast ons huis waren er in de pastorie ook soldaten gehuisvest.
Met deze,
door het
Canadese leger speciaal aangepaste, Jeep konden twee gewonden worden
vervoerd.
Eén ervan
was een Rode Kruis soldaat die met zijn ambulance Jeep gekwetsten
ophaalde en naar het hospitaaltje bracht. Hij had op de radiator van
zijn Jeep een crucifix aangebracht. Een enkele keer mocht ik eens met
hem meerijden, nee natuurlijk niet om gewonden te halen, maar even een
stukje rond het dorp. Het was fantastisch. En het mooie was dat ik
later zelf ook van mijn ouders een ' Canadese Batlle Dress ' kreeg.
Moeder had een stuk stof kunnen kopen en daar werd het van gemaakt. Ik
was zo trots als een aap met twee staarten. Van het bevrijdingsfeest
dat later werd gevierd, toen de Canadezen al lang verder waren
getrokken, herinner ik me dat we een scheepje uitbeelden, gemonteerd op
mijn step, met als onderwerp ' Hollend vaart weer '.
Onze
deelname aan het
bevrijdingsfeest, met zus Janny bij mij achter in de boot en ons
buurmeisje
Trijn Brouwer die met Betsy een passagierschip draagt met
als motto : ' Nederland vaart weer !'
Veel details herinner
ik me niet meer van dat feest, maar wel dat het een heel mooie en
blijde tijd was voor alle Godlinzenaren, behalve dan voor de
NSB-families die ook in ons dorp onder gejuich werden afgevoerd. Toen
later de school weer was begonnen en ik 's middags eens van school naar
huis liep werden we ineens opgeschrikt door hevige explosies in de
verte. Het was de munitieloods bij het dorpje Spijk dat in de lucht
vloog. We konden de rookwolken duidelijk zien. Er waren een aantal
slachtoffers en gewonden. Met vader ben ik een van die dagen ook naar
de vesting Nansum en Delfzijl geweest. De Binnenlandse Strijdkrachten
waren met behulp van NSB'ers bezig al de lijken weg te halen die daar
in grote getale overal nog lagen van gesneuvelde Duitse soldaten. Ik
zie het tafereel nog voor me. Dat was definitief het einde van de
oorlog. In de haven lag reeds zo'n bekend Liberty schip zijn lading te
lossen.
IX De laatste jaren.
We kwamen direct na de
oorlog in een wel heel andere tijd terecht. Nog wel met veel
beperkingen, maar het ging allemaal vooruit en iedereen was gelukkig
dat de oorlog voorbij was. Voor mij veranderde er ook veel want ik
verliet de lagere school en ging naar de MULO in Appingedam. Dat
veranderde mijn leven dus in dubbel opzicht. Het was vrij kort daarop
dat de massa motorisatie op gang kwam. De boeren konden via het
Marshallplan hun eerste trekkers aanschaffen en begonnen met de eerste
schreden van de landbouwmechanisatie, die zoveel voor hun deed
veranderen.
De tractor nam het
zware werk over van het paard,
dat daar kennelijk niet
rouwig om
schijnt te zijn.
Ik ruik, als ik er aan
denk, nog de speciale petroleum lucht van die populaire blauwe Fordson
trekkers met petroleum motoren, die vanaf toen grotendeels het
paardenwerk gingen overnemen. Maar het was niet allen bij de boeren dat
er machines met motoren kwamen. Ook de inwoners van Godlinze konden
zich langzamerhand een bromfiets veroorloven en de Solexen, Berini's,
Vap's, Flink's en alle anderen waren in het dorp eveneens te
bewonderen.
Na de
oorlog kwamen in
grote getale 'ploffietsen ' in gebruik.
De Solex was heel populair en
haalde een snelheid van een 25 tot 30 km per uur
Mijn vader en moeder
schaften zich een Kaptein Mobylette aan, die nauwgezet door mij werd
onderhouden en vertroeteld. Dat het wel eens erg koud kon zijn op zo'n
ding werd mijn ouders al snel duidelijk, maar toch waren ze er blij
mee. Het wegtransport kwam ook weer op gang met alle mogelijke soorten
ex. legervrachtwagens, want voorlopig was er nog niet veel nieuw te
koop. Ook de Dam bussen verzorgden weer hun diensten. In onze vrije
tijd trokken we er vaak op uit, samen met onze ouders. We maakten vaak
fietstochten in de omgeving, want daar was in de oorlog niet zo veel
van gekomen. Ook maakten we wel lange wandelingen naar de dorpjes in de
buurt, gingen zwemmen in het Godlinzer Maar en in de winter '
scheuvelden ' we daar ook op, want dat hadden we reeds als kind geleerd
op de kerkgracht en gingen dan soms via het ' Maarhuis ', 't Holten
Waigje ' naar het dorpje Oosterwijtwerd.
Meester en
juffrouw
Bos op het ' Glinser Moar ', met op de achtergrond
de kerk en toren in
januari 1956. Dat was tevens het jaar dat ze verhuisden.
Toen we wat ouder
waren schaatsten we nog verder door en kwamen uiteindelijk uit op het
Schildmeer. Het Schildmeer was voor ons niet helemaal onbekend terrein,
want we gingen er voor de oorlog al wel eens met vader en moeder
roeien. Veel later, ik was toen al een jaar of zestien maakte ik er
mijn maiden zeiltrip met een gehuurde boot, een BM'er. Ik had in
allerlei boekjes mijzelf zeilen geleerd en moest het toen toch eens in
de praktijk brengen. En het ging gelukkig goed. Het was een mooie tijd.
Iedereen werkte hard en had ook het gevoel dat het leven voor hem of
haar steeds beter werd. De tijd vloog voorbij en al spoedig kwam het
moment dat ik Godlinze moest verlaten om mijn studies voort te zetten
aan de Auto Technische School in Apeldoorn. Vrij kort daarop, zoals ik
reeds heb verteld, verhuisden ook mijn ouders naar het dorp Klarenbeek
bij Apeldoorn. Daarmee werd het hoofdstuk Godlinze, dat toch, zoals de
lezers wel gemerkt zullen hebben, veel voor ons heeft betekend, voor
ons gesloten.
Naschrift
Na
hun pensionering gingen Meester en juffrouw Bos in het dorpje
Beekbergen wonen, waar ze op resp. 3 juli 1988 en 25 mei 2005 zijn
overleden. Hun kinderen Klaas, Betsy en Janny wonen respectievelijk in
Wondelgem (België), Heemskerk en Deventer.